Waarom overleden mensen post van de belasting krijgen

Geplaatst op 15-07-2018

Bericht van NOS.nl d.d. 28 juni 2018 is een reactie op een verschenen artikel in de Volkskrant (19 april 2018)

Staatssecretaris Knops van Binnenlandse Zaken wil proberen te voorkomen dat de overheid nog langer digitale berichten stuurt aan mensen die zijn overleden. Maar op Kamervragen van GroenLinks antwoordt hij dat het een complex probleem is.

Kamerlid Özütok stelde haar vragen naar aanleiding van een artikel in de Volkskrant onder de kop 'Waarom dode mensen post van de belasting krijgen'. In het stuk ging het over een overledene die tot tweeënhalf jaar na zijn dood nog allerlei berichten van de overheid in zijn digitale berichtenbox MijnOverheid.nl ontving. Zijn zoon, die hierover klaagde, werd van het kastje naar de muur gestuurd.

Geen eenvoudige oplossing
Knops erkent dat het erg ongelukkig is als overheidsinstanties naar elkaar wijzen bij het verzoek om de post voor een overledene stop te zetten. Hij gaat met diverse instanties praten om het probleem aan te pakken. Maar hij wil "niet de illusie wekken dat dit eenvoudig structureel opgelost kan worden".

Knops schrijft dat een DigiD niet automatisch wordt opgeheven na iemands overlijden, maar pas als het drie jaar niet is gebruikt. Hij wijst erop dat na een sterfgeval rechten en plichten overgaan op de nabestaanden, bijvoorbeeld voor de fiscale afwikkeling van de erfenis of de APK-keuring van een auto.

Geen toegang tot berichtenbox
De overheid weet niet altijd welke nabestaanden verantwoordelijk zijn. "Fysieke" post stuurt de overheid in de regel naar de "nabestaanden van".

Maar voor digitale berichten is dat ingewikkelder, omdat de nabestaanden geen toegang tot de berichtenbox hebben.

 

 

Volkskrant: Waarom dode mensen post van de belasting krijgen

 

Een artikel uit de Volkskrant van 19 april jl. Dit artikel heeft tot kamervragen geleid.

Volkskrant: Waarom dode mensen post van de belasting krijgen
Dode mensen lezen geen brieven, dat is duidelijk. Ook geen digitale. Maar mijn overheid laat het werk graag over aan computersystemen en hun wervelende algoritmes, dat is efficiënt, en die sturen dode mensen brieven. En als het gebeurt, is er niemand om boos op te worden – ook dat is efficiënt.

De vader van Jan Smits overleed tweeënhalf jaar terug en op de computer bekijken we de post die hij sindsdien kreeg. Officiële post van rijkswege, gericht aan diverse adressen, waaronder dat van het verpleeghuis waar zijn vader de laatste maanden woonde. Digitaal gedumpt in de berichtenbox, succes ermee.

Jan kwam er bij toeval achter, zoals hij er bij toeval achter kwam dat de doden hun DigiD behouden. ‘Het is geen groot verhaal hoor’, zegt hij. Maar ook hier gaat het grote handig schuil achter het kleine.

‘Het contact met de digitale overheid’, schreef de Nationale Ombudsman in een rapport, is ‘voor burgers nogal riskant.’ Dat was in 2013. Graag zou ik dat hele rapport citeren, als er plek voor was, want vijf jaar verder dendert mijn digitale overheid door. De Belastingdienst wil vrolijk een einde aan de blauwe envelop, terwijl duidelijk is dat de systemen daar op instorten staan.

 ‘Het conflict tussen de systeemwereld en de leefwereld’, schreef de Ombudsman. Maar wie trekt het zich aan?

Jan Smits is interimmanager, ‘een doener en een maker’, staat in zijn profiel, ‘gericht op resultaat’. Geen man die terugschrikt voor processen of er boos op wordt. Het enige wat hem nu boos maakt, is dat er niemand is om boos op te worden.

Zijn vader was bij overlijden 90. Jan deed al langer de financiën, ‘dat is wat kinderen doen’. Dit voorjaar logt hij in, uit nieuwsgierigheid, op het account van zijn vader bij Mijnoverheid. Hij vindt er verse belastingbrieven, verstuurd door de BGHU, de organisatie die geld int namens een groep gemeenten. Of zijn dode vader watersysteemheffing wil betalen, en gemeentelijke belastingen.

Jan belt instanties. ‘Alle instanties die ik belde, blonken uit in vriendelijkheid en machteloosheid’ – het kenmerk van de moderne overheid. En volgens de klassieke wetten, wijst iedereen naar elkaar.

Wij zijn ook maar digitale kapstokken, zeggen de instanties tegen Jan: omgevingen afhankelijk van andere omgevingen. Begrijpt Jan wel. ‘Maar daar kun je dus geen kant op met je emoties.’ Kalm vecht hij zich door de omgevingen en belandt uiteindelijk bij het kadaster, de bron van het probleem.

Of hij een verklaring van erfrecht wil opstellen bij de notaris, als bewijs voor de dood van zijn vader, dan komt alles misschien goed. Dat kost geld, zegt Jan. ‘Dat ga ik dus niet doen.’

De digitale overheid is een echoput van omgevingen. In de tijd van de analoge overheid ging ook van alles mis natuurlijk, maar de digitale is onzichtbaar. Het is ook een fijne manier om de burger op afstand te houden.

‘Ik ben dan volgens mij nog best wel slim en vasthoudend’, zegt Jan. ‘Maar de gemiddelde mens gaat schelden en dat begrijp ik wel.’ Hij begrijpt ook dat het handig is om dingen thuis op de computer te regelen. Dat is niet het probleem. Het probleem is, zegt Jan, ‘dat niemand verantwoordelijk is’. ‘Er moet een meneer zijn die op een stoel zit en bij de overheid werkt en zegt: jongens, laten we het oplossen.’

Zijn handen jeuken trouwens, als interimmer.

‘Dode mensen horen geen post te krijgen. Klinkt als een open deur. Maar je moet het gewoon niet doen. Het is onethisch. Het maakt mensen verdrietig.’

De Ombudsman gaat de dodenpost nu onderzoeken. Er kwamen meer klachten. Iets kleins in een groot verhaal.

Ik bel de BGHU en beland in een telefoonprogramma waarbij ik het ‘kenmerk BGHU’ moet intoetsen, en moet afsluiten met een hekje. Pas als ik die verdedigingslinie twee keer pareer bereik ik Niek Hofstetter, coördinator dienstverlening, die meteen vertelt dat dit niet de dienstverlening is die hij ambieert. Post aan de doden: ‘Uiteraard moet er iets aan gebeuren.’

Maar wij kunnen dit niet stoppen, zegt Niek ook, dat kan alleen Mijnoverheid. En daar vertellen ze het omgekeerde. ‘Op een gegeven moment’, zegt Niek, ‘wordt het systeem machtiger dan degene die het systeem aan elkaar heeft geknoopt.’

De oplossing komt misschien uit een andere hoek. De overheid wil geld vragen aan instanties die de berichtenbox gebruiken. En dat is minder efficiënt. ‘Een brief sturen kost ons een euro’, zegt Niek. ‘Een bericht in Mijnoverheid is gratis. Dat is kostenefficiënt.’ Als ze straks moeten betalen, is dat niet meer zo.

Tot die tijd heeft het ministerie trouwens een keurige oplossing bedacht: gratis cursussen ‘omgaan met de digitale overheid’, in bibliotheken door het land.

Opdat de mens zich voegt naar de machine, in plaats van andersom.